Toen hij zeven jaar was, ruilde zijn
moeder hem voor een muilezel. João Francisco dos Santos werd eigendom
van een paardenhandelaar, maar vluchtte naar Rio de Janeiro en vond
onderdak bij een prostituee. Hij groeide op tot een gespierde, knappe
man, vastbesloten het te gaan maken in de showbusiness.
Drie handicaps stonden die ambitie in de
weg: Dos Santos was straatarm, pikzwart en homoseksueel. Toch maakte hij
zijn dromen deels waar. Een grote ster werd hij niet, maar als de
travestie-artiest Madame Satã bereikte hij cultstatus in Brazilië.
In zijn portret van Dos Santos beperkt regisseur Karim Aïnouz zich tot
een cruciale periode uit diens leven: het jaar 1932, waarin hij zijn
eerste successen boekte als zanger, voordat hij tot tien jaar cel werd
veroordeeld wegens moord. De film toont de artiest als een vat vol
tegenstrijdigheden. Opvliegend en gelaten, macho en teder, intelligent
en naïef; Dos Santos, die naast zijn zangactiviteiten te boek stond als
kok, capoeira-specialist, straatbokser, kleine crimineel en liefhebbend
stiefvader, liet zich niet kennen.
Het zwoele camerawerk - vol kleurrijke contrasten en indringende
close-ups - en de hoofdrol van Lázaro Ramos maken Madame Satã tot een
bijzondere film, al is het verhaal voor een grondig begrip van de
hoofdpersoon te fragmentarisch. De losse voorvallen maken vooral
duidelijk dat Dos Santos discriminatie en armoede slecht verdroeg.
Waarom hij zich afzette tegen al te 'vrouwelijke' homoseksuelen, terwijl
hij zelf wegdroomde bij mooie jurken, blijft raadselachtig. Onduidelijk
is ook waar hij zijn latere status als icoon van de homo-emancipatie aan
verdiende. Aïnouz, die ervaring opdeed als editor en regie-assistent
van Todd Haynes en Michael Mann, slaagt er wel in de bohémien-sfeer van
de jaren dertig in Rio op te roepen - zozeer dat het zweet en de
opwinding bijna te ruiken zijn.
|