Een bohémien in het Rio van de jaren '30

Madame Satã van Karim Aïnouz

[[  [recensie donderdag 27-3-2003 Door: Pauline Kleijer] ]]]

Toen hij zeven jaar was, ruilde zijn moeder hem voor een muilezel. João Francisco dos Santos werd eigendom van een paardenhandelaar, maar vluchtte naar Rio de Janeiro en vond onderdak bij een prostituee. Hij groeide op tot een gespierde, knappe man, vastbesloten het te gaan maken in de showbusiness.

Drie handicaps stonden die ambitie in de weg: Dos Santos was straatarm, pikzwart en homoseksueel. Toch maakte hij zijn dromen deels waar. Een grote ster werd hij niet, maar als de travestie-artiest Madame Satã bereikte hij cultstatus in Brazilië.

In zijn portret van Dos Santos beperkt regisseur Karim Aïnouz zich tot een cruciale periode uit diens leven: het jaar 1932, waarin hij zijn eerste successen boekte als zanger, voordat hij tot tien jaar cel werd veroordeeld wegens moord. De film toont de artiest als een vat vol tegenstrijdigheden. Opvliegend en gelaten, macho en teder, intelligent en naïef; Dos Santos, die naast zijn zangactiviteiten te boek stond als kok, capoeira-specialist, straatbokser, kleine crimineel en liefhebbend stiefvader, liet zich niet kennen.

Het z
woele camerawerk - vol kleurrijke contrasten en indringende close-ups - en de hoofdrol van Lázaro Ramos maken Madame Satã tot een bijzondere film, al is het verhaal voor een grondig begrip van de hoofdpersoon te fragmentarisch. De losse voorvallen maken vooral duidelijk dat Dos Santos discriminatie en armoede slecht verdroeg.

Waarom hij zich afzette tegen al te 'vrouwelijke' homoseksuelen, terwijl hij zelf wegdroomde bij mooie jurken, blijft raadselachtig. Onduidelijk is ook waar hij zijn latere status als icoon van de homo-emancipatie aan verdiende. Aïnouz, die ervaring opdeed als editor en regie-assistent van Todd Haynes en Michael Mann, slaagt er wel in de bohémien-sfeer van de jaren dertig in Rio op te roepen - zozeer dat het zweet en de opwinding bijna te ruiken zijn.